Lege stad

Hij moet hier zijn, hier ergens,
wie weet aan het einde van de straat.
Maar hoewel ik weet dat hij bestaat;
ik hoor of zie hem nergens.

Wel zie ik parken vol met beelden
en zie opgesteld in eigen pose
al die wij als voorbeeld kozen
in het gras waarop wij speelden.

Nog waait het vuur op in mijn lamp
waarmee ik over markt en pleinen dwaal;
zij schijnt de zon bij met de wens

waarmee ik stof en steen aanklamp.
En ik vraag het duizend maal:
‘Weet gij een levend mens?’