Blauwe pil

Of nam ik toch de blauwe pil?

Een paar weken geleden beweerde ik op deze plaats dat ik de rode pil had ingenomen. Ik verwees daarbij naar de film The Matrix waarin de hoofdpersoon de keuze kreeg; óf hij nam de rode pil en zag de wereld zoals hij werkelijk was, óf hij nam de blauwe en bleef gevangen in zijn eigen fantasiewereld. Ik verbaasde me – vol van mijn eigen gelijk – er bijvoorbeeld over dat dezelfde regering die zegt het klimaatakkoord serieus te nemen, het opneemt voor het vliegverkeer.

Intussen zijn de verkiezingen voorbij en is er veel veranderd. Zaterdag 23 maart verscheen er een column van Özcan Akyol in het Eindhovens Dagblad over de opkomst van Baudet en de “totale ideeënarmoede” van de oppositie. Baudet biedt een alternatief, de rest van de politiek heeft geen verhaal of mist de voelsprieten die nodig zijn om een brede volkspartij te worden. In plaats daarvan hebben de andere partijen Baudet zwart gemaakt, wat het wij-tegen-de-rest-van-de-wereld-gevoel uiteraard alleen maar versterkte. Ze hebben niet naar zijn kiezers geluisterd. Want je zou maar een onderbetaald rotbaantje bij bol.com hebben en de godganse dag van magazijn naar magazijn rennen totdat je gewrichten het begeven. Of een buurman hebben die ´s avonds keihard Arabische muziek draait en daar niet op aanspreekbaar is. Of allebei. Welk verhaal heb je dan nodig? Hoe word je dan nog gelukkig?

Ik weet het niet.

Wat ik wel weet is dat ik diezelfde zaterdag dat Akyols column verscheen een peuk op straat zag liggen en deze opraapte met behulp van een lange ijzeren grijper. Ik stopte hem in een vuilniszak bij honderd andere peuken, een half verteerde spijkerbroek en al het andere zwerfafval dat ik had verzameld. Samen met een groep van de politieke partij waar ik lid van ben, deden we mee aan een schoonmaakactie. En ik was domweg gelukkig, daar in die straat. Geregeld kregen we een thumbs-up van voorbijgangers. Ook een leuke reactie was: doen jullie dit ná de verkiezingen? De mooiste was ongetwijfeld dat de daar spelende kinderen vanzelf meehielpen.

Dat is dus mijn wereld. Afgelopen dinsdagavond beleefde ik nog zo´n geluksmoment. Als vrijwilliger geef ik Nederlands aan nieuwkomers; het dankbaarste werk dat er is. Turken, Marokkanen, Polen, Spanjaarden, Iraniërs, zelfs iemand uit Mongolië. Mensen die dolgraag onze taal willen leren. Hilarische rollenspellen doen we, waarbij ik soms aangeef dat “heeft” echt niet als “geeft” uitgesproken moet worden. Mijn wereld.

Maar ik werk niet bij bol.com en ik heb niet zo’n buurman. En als ik dat allemaal wel had en ik merkte na tien jaar dat de dingen alleen maar erger werden, zou ik de politiek dan nog vertrouwen? In de aanloop naar de verkiezingen heb ik menige flyer uitgedeeld. Een deel van de mensen zit al redelijk aan “jouw kant”, merk je dan. Een ander deel lijkt in een parallelle wereld te leven en geen van jouw uitgangspunten te onderschrijven. Het klimaat verandert niet, of in ieder geval niet door ons, of als het toch door ons komt, heeft het toch geen zin er iets aan te doen, want China en 0,000000286 procent. Mededogen en compassie zijn prima, maar niet voor vluchtelingen en zeker niet voor de dieren in megastallen. Soms lijk je te horen dat alles moet veranderen, maar wel op zo’n manier dat alles hetzelfde blijft.

Mijn bubbel tegenover jouw bubbel, mijn blauwe pil tegenover de jouwe. Waarom zou mijn pil beter zijn? Een jongen kwam uitdagend voor me staan. “Ik ben hartstikke rechts!”, zei hij. Waarop ik alleen kon zeggen: “Volg je hart.”

Want over feiten praten, dat is zó 2018.